Door: Redactie Golfersmagazine Fotografie: Golfsupport
Banen, clubs & amateurs
5

Interview Ji: 'Je moet in Amerika zijn'

Topamateur klaar voor college

Het tegenwoordig mode om zo snel mogelijk professional te worden, maar Jerry Ji neemt alle tijd. 'Ik moet me nog verder ontwikkelen'.

In 2014, hij was pas veertien jaar en speelde nog maar vier jaar golf, werd Jerry op het eindejaarsgala van de Nederlandse Golf Federatie uitgeroepen tot talent van het jaar. Eind 2018 viel die eer hem wéér te beurt. En kijk er niet gek van op als hij over enkele jaren nog eens tot hét talent wordt gekroond, als hij na afloop van zijn studie alsnog de overstap naar de professionals maakt. Het past bij de route die Ji, kind van Chinese ouders maar geboren en getogen in de omgeving van Amsterdam, volgt. Geleidelijk. Stap voor stap. En vooral met beleid en een duidelijk doel voor ogen.

'Hartstikke leuk natuurlijk dat je twee keer tot talent van het jaar wordt gekozen, maar ik ben niet zo bezig met dat soort dingen', zegt Ji in The Dutch Academy, waar we zijn aangeschoven voor een gesprek met de negentienjarige speler. Makkelijk ging het maken van een afspraak daarvoor niet. Niet alleen heeft de zomer een druk speelschema voor de Hoofddorper in petto, hij deed ook nog eens eindexamen, waardoor er tussen het spelen, trainen en leren door, maar weinig tijd overbleef. 'Ik hoefde nog maar drie vakken hoor, Nederlands, Engels en Economie, echt zwaar was het dit jaar niet. Ik heb er een goed gevoel over, maar het is toch even spannend. Je moet er toch niet aan denken dat je straks herexamens hebt... al was het maar omdat die precies tijdens The Amateur (het grootste amateurtoernooi ter wereld, red) vallen. Daarnaast wil ik na de zomer echt beginnen in Amerika, dan kan je niet nu zakken.'

Trainingsbeest

Ji was tien toen hij begon met golf. Zijn vader speelde en nam zijn zoon voor de gezelligheid en ervaring mee naar een drivingrange in de buurt. Niet veel later volgden lessen op Golfbaan de Hoge Dijk bij professional Ashwin Dannenburg.

'Wanneer ik er achter kwam dat ik talent had?' Dat weet ik eigenlijk niet. Ik was gek genoeg niet zo bezig met beter worden. Ik wilde gewoon prijzen winnen, wedstrijdjes spelen.' Lachend: 'Het competitieve zat er altijd wel in ja. Ik ging vrij snel van handicap 54 naar handicap twintig en ging het steeds leuker vinden, waardoor ik mijn andere sport, tennis, er voor opgaf. Op een gegeven moment ga je landelijk spelen, kom je in de selectie en speel je over de hele wereld toernooien. Dat is mooi. Ik wil me altijd meten met de beste spelers, waar die zich ook bevinden.'

'Het is zeker één van de redenen waarom ik na de zomer naar Amerika ga om golf en studie te combineren. Ik denk echt dat je daar moet zijn als je ver wilt komen. Niet alleen spelen daar de beste spelers, de competitie is er ook sterk. Week in week uit moet je spelen voor je plekje in het team. Dat zal niet altijd makkelijk zijn, maar als je het redt, en ook als je het soms niet redt, dan is het heel leerzaam natuurlijk'.

'Mijn ouders hebben me altijd enorm gesteund. Ze komen ook vaak kijken, dus het zal zeker raar zijn ze daar niet om me heen te hebben, maar ik denk dat het nodig is om me verder te ontwikkelen. Ik ga sportmanagement studeren aan de Universiteit van Illinois, waar ook Thomas Pieters en Thomas Detry hebben gestudeerd. Ze hebben er hele goede faciliteiten en Mike Small is een coach waar ik veel goede dingen over heb gehoord. Ik zal veel contact blijven houden met Phil Allen, mijn coach in Nederland, maar ik zal ook veel zelf op moeten lossen en vooral heel erg hard moeten werken.'

Dat laatste zal het probleem niet zijn, want bondscoach Maarten Lafeber omschreef Ji niet voor niets als een 'trainingsbeest'.

Ji moet lachen om die uitspraak, net als fysieke coach Bas van der Steur die precies op dat moment voorbij loopt, maar ontkent hem niet. 'Maarten Lafeber doet het volgens mij heel goed als bondscoach. We spreken elkaar regelmatig en trainen en spelen ook wel eens samen. Ik zie dan wel het verschil hoor, hoe hij met bepaalde dingen omgaat, de manier van spelen, van denken, van kijken. Dat is heel leerzaam. Je ziet op die momenten duidelijk waar je je nog verder moet ontwikkelen. Mijn korte spel en mijn lange ijzers zijn mijn sterke punten. Mijn drives worden elk jaar iets langer, maar een longhitter ben ik niet en zal ik misschien ook nooit worden. Maar ik wil sowieso op elk onderdeel altijd beter worden om straks zoveel mogelijk prijzen te pakken', zegt het 1 meter 80 lange Nederlandse talent.

Nummer één

Er staan al wel wat prijzen in de jongenskamer van Ji. Zo won hij onder meer het NK Strokeplay tot en met 21 jaar, staat zijn naam op de prestigieuze Orange Bowl die elk jaar in december in Amerika wordt gespeeld, en natuurlijk schreef hij Nederlandse sportgeschiedenis door bij de Jeugd Olympische Spelen van vorig jaar de eerste Nederlandse golfmedaille ooit te halen.

'Dat was een geweldige ervaring. Spelen voor je land op zo'n evenement... dat vergeet je nooit meer, ook al omdat je als golfer meestal individueel bezig bent. Dat je dan een bronzen medaille wint en de vlag mag dragen tijdens de openingsceremonie is heel bijzonder. Dat maak je nooit meer mee. Ja, bij de Ryder Cup misschien, maar dat is dan voor Europa, en er komen natuurlijk nog meer Olympische Spelen langs...', zegt hij ambitieus.

Ji legt de lat hoog voor zichzelf. 'Nummer één van de wereld worden', antwoordt hij zonder een tel te aarzelen als we hem vragen naar zijn grote doelen. 'Majors winnen, meedoen aan de Ryder Cup en de Olympische Spelen. Dat wil toch elke golfer? Ik heb twee keer meegedaan aan het KLM Open en hoewel ik daar vooral met mijn eigen spel bezig was, heb ik natuurlijk goed om me heen gekeken. Ik wil zo ver mogelijk komen in het golf, maar ik heb geen haast. Eerst slagen voor mijn eindexamen, dan proberen zo goed mogelijk te presteren bij de grote amateurtoernooien van deze zomer en daarna naar Amerika om een nog betere golfer te worden, al is het doel ook zeker om mijn studie ook echt af te ronden. Daarna is er nog alle tijd om professional te worden.'

 

(Dit interview van Martijn Paehlig stond eerder in Golfers Magazine)