New York: zinderende sporthoofdstad

Voor het eerst wordt de Ryder Cup in New York gespeeld. Jan Kees van der Velden probeert de sportgeest van The Big Apple te vangen.

New York: zinderende sporthoofdstad

Deze week wordt de 45ste editie van de Ryder Cup op Bethpage State Park gespeeld. Een openbare baan in de plaats Farmingdale, maar zo dicht bij de Big Apple dat het voor iedereen ‘de Ryder Cup in New York’ is. Om er vanuit Manhattan te komen, neem je vanaf Penn Station de trein van de Long Island Railroad. Een enkele reis kost iets meer dan tien dollar en anderhalf uur later stap je niet ver van de baan uit. Wel goed op je toegangskaartje passen. Je hebt 750 dollar betaald voor een van de drie wedstrijddagen. Voordeel: eten en drinken is gratis.

Hemelsbreed ligt Bethpage State Park een kleine vijftig kilometer van Manhattan. Dichtbij, maar er is ooit al een Ryder Cup geweest die ook dicht bij het hart van New York werd gespeeld. Op 28 en 29 september 1935 wonnen de Amerikanen, met Walter Hagen als playing captain, op de Ridgewood Country Club in Paramus, New Jersey. Eindstand: 9-3. Hagen speelde niet in de singles, maar wel met Gene Sarazen in wat de krant de Scotch Foursome noemde. De captain en de kersverse Masters-kampioen wonnen met 7 en 6 van Alf Perry en John Busson. ‘Sweeping through in five of the eight singles matches today, the American golf team, led by Walter Hagen, gained possession of the Ryder Cup, emblematic of the world’s team supremacy, for the third time’, schreef William Richardson in The New York Times van maandag 30 september.

Honkbalcompetitie

Maar zondag 29 september was ook de laatste dag van de honkbalcompetitie. De belangrijkste sportcolumnist van The New York Times, John Kieran, was echter niet in het Yankee Stadium voor de altijd beladen wedstrijd tegen de Boston Red Sox, want de Yankees waren toch al kansloos voor de titel. En hij was ook niet in Ebbets Field, waar de Brooklyn Dodgers weliswaar van Philadelphia wonnen, maar in de National League slechts vijfde werden. Noch was Kieran naar Boston gegaan: de New York Giants konden zelfs met twee zeges op de Braves geen kampioen worden. Dus geen team uit New York in de World Series. Bijna een unicum in de jaren dertig, veertig en vijftig.

Kieran – op hoge leeftijd werd hij in 1971 in de Baseball Hall of Fame gekozen – zou Kieran niet zijn als hij voor zijn column ‘Sport of the Times’ niet vakkundig de combinatie van baseball en golf benutte. Hij was op Ridgewood en liep tijdens de singles Leo Diegel tegen het lijf, de man die in 1928 en 1929 het PGA Championship had gewonnen en in 1933 nog op Southport and Ainsdale in de Ryder Cup had gespeeld. Diegel verloor toen zijn beide matches en Walter Hagen – ook toen playing captain – die toch al geen fan van hem was omdat hij op de greens vaak onder de druk bezweek, liet hem in ’35 uit het team. Maar Kieran wist dat Diegel altijd goed was voor een paar mooie uitspraken. Diegel kwam uit Detroit en wie zouden een paar dagen later tegen de Chicago Cubs in de World Series spelen? Juist, de Detroit Tigers.

Terwijl zij de singles volgden, sprak Diegel honderduit over de komende Series tegen Kieran. ‘I’m afraid for these Cubs, but I have to go for Detroit in the Series.’ Diegel kon later opgelucht ademhalen: de Tigers wonnen de World Series.

Verre uitwedstrijden

Golf werd als een mooie sport beschouwd en vulde vaak de kolommen van de kranten, maar honkbal was toch de zon waar alle andere sporten als planeten omheen draaiden. American Football, ijshockey en basketbal waren kleinere sporten, maar nog altijd belangrijk, net als dus golf en ook college football. Maar met drie honkbalteams hadden de kranten uit New York weinig moeite om de pagina’s met honkbalnieuws te vullen. En dat terwijl er tot de jaren zestig vaak meerdere edities per dag verschenen van The Times, de Herald Tribune, de Daily News, de Post, The Sun, de Journal-American en de World-Telegram.

Drie dominante honkbalteams en een aantal grote dagbladen zorgden ervoor dat New York zowel in sportief als in journalistiek opzicht de hoofdstad van Amerika was. De New York Yankees, spelend in de American League, waren veruit het beste. Maar de liefde voor de New York Giants en de Brooklyn Dodgers – uitkomend in de National League – was intenser. Daar kwam nog bij dat teams hun eigen stadions hadden. De kathedraal in de Bronx die Yankee Stadium heette. De weidse Polo Grounds in het topje van Manhattan, met het diepe buitenveld, was decennia het domein van de Giants. En Ebbets Field was als het ware de huiskamer van de Dodgers. De toeschouwers zaten zo dicht op het veld dat je de spelers bijna kon aanraken.

Ook radio en tv deden hun intrede in de sportwereld. Een of meer van de drie grote baseballteams deden voor het gevoel altijd mee aan de World Series en hun prestaties – in de Major Leagues wordt door de teams nog steeds van april tot en met september nagenoeg elke dag gespeeld – waren zelden geen onderwerp van gesprek.

Overigens moesten de fans van de drie teams niets, maar dan ook niets van de concurrenten hebben. Ze uitten hun passie luidkeels, soms met grof taalgebruik, maar van discriminatie was geen sprake. Twee van de drie teams kozen voor uiterst talentvolle donkere spelers die tot dan toe in de Negro Leagues speelden. Eind jaren veertig contracteerden de Dodgers al Jackie Robinson, de eerste zwarte honkballer in de Major Leagues. Voor de Giants werd een paar jaar later Willie Mays de nieuwe held. De New York Yankees waren vele malen conservatiever. De hoge heren meenden dat het aantrekken van donkere spelers niet goed zou vallen bij hun clientèle. Dat conservatisme hield op andere vlakken nog lang stand. Pas sinds dit seizoen mag je als speler je snor of baard ook laten staan.

De schok was groot toen zowel de Dodgers als de Giants aankondigden om New York met ingang van het seizoen 1958 te verlaten. Ze gingen naar respectievelijk

Los Angeles en San Francisco. Nieuwe markten en de belofte van mooiere stadions.

Tot en met 1957 was Saint Louis de verste stad voor uitwedstrijden geweest. Nu ging men voor het eerst de Mississippi over.

U.S. Open in Yankee Stadium

Voor de sportfans in New York was het alsof het hart uit de stad werd gerukt. Vooral de aanhangers van de Dodgers en de Giants voelden zich totaal ontheemd, maar die van de Yankees waren verbijsterd: wie moesten ze nu in sportief opzicht haten?

In 1962 kregen de bedroefde fans er een troostprijs voor terug in de vorm van de New York Mets. In het begin presteerden ze niks. Minder dan niks eigenlijk. Maar al in 1969 slaagden de ‘lovable Mets’ erin om de World Series te winnen. Ze deden dat in Shea Stadium, een gloednieuw stadion in Flushing, in het noordoosten van de stad. En daarmee is meteen een link gelegd – al klinkt het vergezocht – met de Ryder Cup 2025.

Zowel Shea Stadium als de openbare banen van Bethpage (Black, Red, Blue, Green en Yellow) zijn er gekomen dankzij Robert Moses. Zoals Georges-Eugène baron Haussmann in de negentiende Parijs transformeerde, gebruikte ambtenaar Moses tussen begin jaren dertig en eind jaren zestig zijn macht om bruggen, snelwegen, parken en tunnels aan te leggen. En al in de jaren dertig kocht Moses als Long Island State Park Commission President – een van zijn tientallen functies – Bethpage Park aan. Tijdens de grote depressie gaf hij opdracht om er golfbanen aan te laten leggen door mensen die wanhopig naar werk zochten. ‘Black’ opende in 1936 zijn deuren en is samen met de andere courses goed voor meer dan driehonderdduizend rondjes per jaar. Iedereen begrijpt dus wel dat Bethpage een miljoenenomzet heeft. Maar het is in feite aan de United States Golf Federation te danken dat de Ryder Cup op Bethpage Black wordt gespeeld.

En dat heeft te maken met het U.S. Open dat er al was gespeeld. Tot begin deze eeuw werden de U.S. Opens alleen op privéclubs gespeeld, op banen van leden die geld zat hadden. Maar ineens was er het idee om het Open op een openbare baan te laten spelen. En Bethpage Black was moeilijk genoeg voor de eeuwige wens van de USGA: winnende scores liefst boven par. Zeker na een stevige verbouwing op kosten van de Federation. Er was kritiek. Er was twijfel. Maar het was een succes: het was alsof het U.S. Open in Yankee Stadium werd gespeeld. En daar weten de fans hoe je jezelf als het ware onderdeel van de wedstrijd maakt.

If I can make it there...

New York telt acht professionele sportteams: de Yankees en de Mets (baseball), de Giants en de Jets (football), de Knicks en de Nets (basketbal), de Islanders en de Rangers (ijshockey). Volgens berekeningen van het zakenblad Forbes en de website Sportico hebben ze een gezamenlijke waarde van ruim veertig miljard dollar. Hun thuiswedstrijden zijn in een jaar tijd goed voor bijna tien miljoen toeschouwers.

En die zijn fanatiek. Ze laten zich horen en aarzelen niet om ook hun eigen helden stevig en luidkeels te bekritiseren. Maar het zijn vooral de bezoekende teams en spelers die ervan langs krijgen.

In de football- en baseballstadions zitten de toeschouwers niet vlak bij de spelers. Bij ijshockey zit er plexiglas tussen de tribunes en het ijs. Maar bij de thuiswedstrijden van de Knicks in Madison Square Gardens – smack down the middle van Mahattan – zitten de toeschouwers wel heel dicht bij de spelers. Wie een VIP is, zit op Celebrity Row, pal langs de zijlijn. Je bent pas iemand als je daar mag zitten. Referees weten daar alles van…

Roger Kahn (1927-2020) was decennialang een toonaangevende golfauteur in New York, waar elke dag wel iets gebeurde. Hij omschreef zijn stad zo: ‘New York. It was the closest we have seen to a cosmic town. New York, USA; New York, Solar System; New York, Milky Way; New York, Universe. Well, come in.

Na elke gewonnen thuiswedstrijd van de Yankees schalt New York, New York van Frank Sinatra door de luidsprekers: ‘If I can make it there, I'll make it anywhere’.

En zo is het. Ook in golf. Majors in New York en omgeving zijn als het boek van Jonathan Safran Foer: Extremely Loud & Incredibly Close.

Het meest extreem was misschien wel het U.S. Open van 2006 op Bethpage Black. De fans in New York hadden respect voor winnaar Tiger Woods, maar niet meer dan dat. Phil Mickelson was hun lieveling en hun zwarte schaap was Sergio García. De Spanjaard zat in een fase van zijn carrière dat hij gripte en re-gripte. Keer op keer. Het was koren op de molen van de New Yorkers, die hardop tellend bijhielden hoe vaak García steeds opnieuw gripte.

De kans dat dit soort voorvallen bijna twintig jaar later gaan plaatsvinden tijdens de Ryder Cup? Als de toeschouwers gratis drinken en eten krijgen? Groot. Je snapt bijna niet dat García zo graag mee wil doen.

Abonnee worden?

Dit artikel was ook te lezen in Golfers Magazine 7. Het hele nummer lezen? Dat kan: ga nu naar de winkel en lees ook alle andere verhalen. Of beter nog: sluit een abonnement af en ontvang hét golftijdschrift van Nederland en België vanaf volgende maand thuis. Tien keer per jaar, 132 pagina's met alles wat je over jouw sport wilt weten.

World